
Verduurzamingsinterventies geneesmiddelen
Klinische- en poliklinische zorg
Restrictief opioïden voorschrijven met indicatie en beoogde behandelduur
De meest gebruikte, sterkwerkende opioïden zijn morfine, fentanyl, oxycodon en buprenorfine (1). In 2024 ontvingen ruim 1,1 miljoen mensen een opioïd via de openbare apotheek (2). Hoewel het totale aantal verstrekkingen iets daalde ten opzichte van 2023, nam het aantal voorschriften vanuit het ziekenhuis juist licht toe (3). Bij een eerste uitgifte van een sterkwerkend opioïd werd in 2024 gemiddeld 9 dagen aan medicatie meegegeven (3), terwijl bij acute pijn door trauma of operatie vaak maar voor 48 uur sterkwerkende pijnstilling met opioïden nodig is (4). Te lang voorschrijven van opioïden vergroot het risico op afhankelijkheid en leidt ook tot onnodige milieu-impact.
Onderzoek laat zien dat de hoeveelheid opioïden die patiënten bij ontslag meekrijgen, hun daadwerkelijke gebruik beïnvloedt (5). Naarmate herstel vordert, neemt de behoefte aan opioïden snel af; voor de meeste patiënten is vier dagen voldoende. Dit sluit aan bij internationale aanbevelingen die een duur van 3 - 7 dagen adviseren (6-8). Ook de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA) adviseert gepast gebruik van opioïden door restrictief voorschrijven (maximaal 7 dagen) afgestemd op de ervaren pijn (9).
Een ander knelpunt is dat de beoogde behandelduur en indicatie van opioïden bij ontslag of poliklinische uitgifte niet altijd expliciet worden vermeld of gedeeld met patiënt en zorgverleners in de eerste lijn. Hierdoor ontbreekt voor huisartsen en apothekers vaak cruciale informatie om de behandeling verantwoord voort te zetten of tijdig af te bouwen. Dit vergroot het risico op onnodig lang gebruik, en daarmee onnodige milieu-impact en risico op afhankelijkheid.
Interventie
Restrictief voorschrijven van opioïden voor acute pijn, met een duidelijke indicatie en vooraf vastgestelde behandelduur.
Milieu-impact
Gemeten in CO2-uitstoot door het verminderen van het aantal voorschriften en/of de dosering van opioïden (bij ontslag).
Werkwijze
1. Bepaal populatie en formuleer doelstelling
- Inventariseer huidig beleid op geselecteerde afdeling/voor geselecteerde patiëntengroep(en):
- Focus op afdelingen en/of indicaties waar patiënten vaak opioïden voorgeschreven krijgen, zoals bij ontslag binnen de chirurgie, gynaecologie en urologie.
- Controleer in hoeverre lokale protocollen en/of formularia al rekening houden met duurzaamheid.
- Evalueer gemiddelde uitgifteduur van voorschriften met behulp van voorschrijfdata en/of poliklinische uitgiftedata uit het EPD, zie ‘Werkwijze evaluatie van een geneesmiddelinterventie’.

2. Implementatie
- Stel gestandaardiseerde voorgedefinieerde (pijn)medicatieopdracht(en) vast in het EPD.
- Het algemene advies vanuit ‘verstandige keuzes rondom opioïden’ is om recepten van maximaal 7 dagen te maken (4). Ook minder lang kan overwogen worden: bij de meeste patiënten neemt postoperatieve pijn na 48 uur sterk af (5).
- Uitgewerkte standaard pijnmedicatieopdrachten kunnen op basis van te verwachten pijn (bijvoorbeeld basis, matig en ernstig te verwachten pijn) of juist specialisme/ingreep-specifiek worden uitgewerkt in het kwaliteitssysteem.
- Vermeld voorgenomen behandelduur en indicatie, zie ‘Werkwijze borging van informatieoverdracht tussen ziekenhuis en eerste lijn’.
- Bespreek werkwijze voor patiënten die niet genoeg pijnstilling hebben, het liefst in afstemming met de eerstelijnszorg in de regio.
- Informeer de voorschrijvers en apothekers van de betrokken afdeling en zo nodig de geneesmiddelcommissie over de wijziging, bijvoorbeeld door een korte toelichting tijdens overdrachten en/of teamvergaderingen.
3. Monitoring en evaluatie
- Controleer implementatie met behulp van poli)klinische voorschriften, zie ‘Werkwijze evaluatie van een geneesmiddelinterventie’.
- Bespreek (tussentijdse) resultaten regelmatig, bijvoorbeeld (twee)maandelijks, tijdens overdrachten, teamvergaderingen en/of onderwijs.
- Reflecteer op resultaten ten opzichte van het gestelde doel, belemmerende en bevorderende factoren. Stel interventies bij indien nodig.
- Evalueer aan het eind van de follow-up periode of de doelstelling(en) behaald is/zijn en hoe de verandering geborgd wordt.
Hoe wordt dit gemeten?
De milieu-impact van de interventie kan worden bepaald door afname in (ontslag)voorschriften opioïden per drie maanden, zie ‘Werkwijze evaluatie van een geneesmiddelinterventie’.
Wanneer succesvol geïmplementeerd?
Bepaal op basis van de reductie in de duur van opioïd-voorschriften en toename van het aandeel recepten met indicatie en beoogde behandelduur, zoals beschreven in de vorige paragraaf, wanneer de implementatie als succesvol wordt beschouwd, en reflecteer hierbij op het gestelde doel.
Bronnen
- KNMP Kennisbank. Opioïden. Geraadpleegd op: 29 juli 2025.
- Stichting Farmaceutische Kengetallen (SFK). Gebruiksduur bij eerste uitgifte opioïd neemt af. Pharmaceutisch Weekblad. 2024 okt 24; editie 43. Beschikbaar via: https://www.sfk.nl/publicaties/PW/2024/pw43-2024-gebruiksduur-bij-eerste-uitgifte-opioid-neemt-af
- Stichting Farmaceutische Kengetallen (SFK). Huisartsen schreven minder opioïden voor. Pharmaceutisch Weekblad. 2025 jul 18; editie 29/30. Beschikbaar via: https://www.sfk.nl/publicatie/2025/farmacie-cijfers/huisartsen-schreven-minder-opioiden-voor
- De Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA). Generieke richtlijnmodule gepast opioïdengebruik. Bijlage 1. Verstandige keuzes opioïden. Beschikbaar via: https://richtlijnendatabase.nl/gerelateerde_documenten/f/25327/Bijlage%201%20Verstandige%20keuzes%20opioiden.pdf. Geraadpleegd op 19 augustus 2025.
- Dowell D, Haegerich TM, Chou R. CDC Guideline for prescribing opioids for chronic pain–United States, 2016. Journal of the American Medical Association 2016; 315: 1624– 45
- Howard R, Fry B, Gunaseelan V, et al. Association of opioid prescribing with opioid consumption after surgery in Michigan. Journal of the American Medical Association Surgery 2019; 154: e184234
- Lowenstein M, Grande D, Delgado MK. Opioid prescribing limits for acute pain, striking the right balance. New England Journal of Medicine 2018; 379: 504– 6.
- Health Service Executive (HSE). Guidance for opioid prescribing for acute non-cancer pain, post-operative pain and post-procedure pain. Dublin: HSE; 2021.
- De Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA). Generieke richtlijnmodule gepast opioïdengebruik. Beschikbaar via: https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/generieke_richtlijnmodule_gepast_opio_dengebruik/generieke_richtlijnmodule_gepast_opio_dengebruik.html. Geraadpleegd op 18 augustus 2025.
Tools
Ontbreken hier nog materialen of heb jij aanvullende materialen (ontwikkeld) die andere ziekenhuizen kunnen helpen bij het implementeren van deze interventie, wij horen het graag via contact@samendezorgvergroenen.nl
- Toolkit milieu-impact: volgt
- Regionale aanpak voor het terugdringen van onjuist oxycodongebruik (VGZ Good Practice Rijnstate).
Resultaten
%
%
%
Bekijk onze andere interventies
Klinische zorg
Paracetamol oraal in plaats van intraveneus toedienen
Ter behandeling van postoperatieve pijn wordt doorgaans intraveneus (IV) paracetamol toegediend. Onderzoek wijst echter uit dat orale (PO) toediening bij de meeste patiënten even effectief is en bovendien duurzamer. Een systematische review van 14 studies laat zien dat er geen overtuigend verschil is in analgetisch effect tussen IV en oraal paracetamol op verschillende tijdstippen na de operatie (1). De milieu-impact verschilt echter aanzienlijk: de CO2-uitstoot van IV toediening is tot wel 16x hoger (2). Waar een orale toediening van 1 gram paracetamol uit een blister leidt tot uitstoot van circa 38 gram CO₂-eq., kan dit bij IV-toediening oplopen tot 628 gram, afhankelijk van de verpakking en het toedieningsmateriaal (2).
Bij de meeste patiënten kan paracetamol oraal worden toegediend, zoals beschreven in de NVZA Monografie ‘Paracetamol’ (3). Met de paracetamol challenge is gedemonstreerd dat IV-toediening van paracetamol met tenminste 25% verminderd kan worden, wat tijd van personeel, kosten en milieu-impact bespaart (4). Deze resultaten onderstrepen implementatie op grotere schaal.
Klinische zorg
Anti-emetica oraal en/of rectaal in plaats van intraveneus toedienen
Anti-emetica, zoals 5HT3-antagonisten (bijv. ondansetron en granisetron) en dopamine-antagonisten (bijv. metoclopramide), worden in de klinische zorg veel gebruikt ter preventie en behandeling van misselijkheid en braken, bijvoorbeeld postoperatief of bij chemotherapie. Onderzoek laat zien dat enteraal (e.g., oraal of rectaal) toegediende anti-emetica bij een gelijkwaardige dosering doorgaans een vergelijkbare effectiviteit en veiligheid hebben als intraveneus (IV) toegediende (1-2).
De enterale route draagt bij aan meer comfort en autonomie. Daarnaast is het gebruik van orale/rectale medicatie kosten efficiënter en duurzamer, omdat er minder wegwerpmaterialen nodig zijn dan bij intraveneuze toediening (3). In situaties waarin orale toediening niet haalbaar is, zoals bij ernstige misselijkheid of braken, kan soms nog gekozen worden voor rectale toediening. Alleen als dat ook niet kan, komt IV toediening in aanmerking. Dit staat verder uitgewerkt in de NVZA geneesmiddelenmonografieën (4-6).
Klinische zorg
Delen van de indicatie en beoogde behandelduur van meervoudige antistollingstherapieën met de eerste lijn
Het voorschrijven van meervoudige antistollingstherapie (bijvoorbeeld dubbele of drievoudige therapie met anticoagulantia en trombocytenaggregatieremmers) is complex en gaat gepaard met een verhoogd bloedingsrisico. Patiënten gebruiken deze combinaties vaak tijdelijk, bijvoorbeeld na een acuut coronair syndroom, percutane coronaire interventie of bij gelijktijdig atriumfibrilleren en stentimplantatie (1). Europese en Nederlandse richtlijnen benadrukken daarom dat dubbele of drievoudige therapie nooit levenslang geïndiceerd is, maar altijd een beperkte behandelduur kent, afhankelijk van de klinische situatie en de individuele balans tussen het risico op een bloeding of juist een ischemisch event (1).
In de praktijk blijkt echter dat deze middelen regelmatig te lang worden gebruikt of zonder actuele indicatie worden voortgezet, wat het risico op ernstige, vermijdbare bloedingen aanzienlijk verhoogt. Zo liet onderzoek in Nederlandse apotheken zien dat 14–23% van de patiënten die dubbele antistolling gebruikten, hiervoor geen geldige indicatie meer had (2). Tijdens ziekenhuisopname bleek dat meer dan 40% van de patiënten met meervoudige antistollingstherapieën deze combinaties onterecht gebruikten (3). Dit geeft risico op bloedingscomplicaties, en daarmee onnodige ziekenhuisopnames (4), maar draagt ook bij aan onnodige kosten en milieu-impact.
Om dit te voorkomen is heldere communicatie bij ontslag en overdracht cruciaal. Het expliciet delen van de indicatie en de beoogde behandelduur met de eerste lijn (huisarts en apotheker) stelt vervolgzorgverleners in staat de behandeling verantwoord voort te zetten of tijdig te stoppen. Dit draagt bij aan medicatieveiligheid, vermindert het risico op complicaties en voorkomt onnodig geneesmiddelgebruik.
Klinische- en poliklinische zorg
Staken van protonpompremmers zonder actuele indicatie
Protonpompremmers (PPI’s) zijn maagzuurremmers die frequent gebruikt worden. Pantoprazol (1,3 miljoen gebruikers) en (es)omeprazol (1,2 miljoen gebruikers) stonden in de top 3 meest gebruikte geneesmiddelen in 2023 (1). Toch blijkt dat een groot deel van deze geneesmiddelgebruikers geen indicatie voor PPI-gebruik heeft (2). Bij kortdurend gebruik bleek meer dan de helft van de patiënten geen indicatie te hebben (3), bij chronisch gebruik is dit zelfs 87% (4). Overbehandeling met PPI’s geeft risico op bijwerkingen, zoals een verhoogd risico op botbreuken en tekort aan vitamine B12, maar leidt ook tot onnodige kosten en milieu-impact (2).
De NHG-richtlijn ‘Maagklachten’ en de NVMDL-richtlijn ‘Gastro-oesofageale refluxziekte’ geven aanbevelingen om overbehandeling met PPI’s tegen te gaan (5,6). Deze richtlijnen adviseren bij patiënten met maagklachten of aandoeningen met een tijdelijke indicatie voor PPI’s, een PPI binnen drie maanden weer af te bouwen. Alleen patiënten met refluxoesofagitis graad C en D4, Barrett-oesofagus en het syndroom van Zollinger-Ellison moeten levenslang een PPI gebruiken (5 - 7). Een PPI als maagbescherming moet gestopt worden als een patiënt stopt met de medicatie waarvoor deze is voorgeschreven (8).
Het Kennisdocument Protonpompremmers geeft uitleg bij de overweging voor het verminderen of stoppen van protonpompremmers bij chronisch gebruik van PPI’s (7). Afbouwen blijkt succesvol bij circa 40 - 70% van de patiënten, afhankelijk van de interventie die wordt gekozen (9). Op deze manier kunnen eventuele lange termijn bijwerkingen van PPI’s voorkomen worden en kunnen kosten en milieu-impact worden bespaard (5 - 7).