
Verduurzamingsinterventies geneesmiddelen
Klinische zorg
Anti-emetica oraal en/of rectaal in plaats van intraveneus toedienen
Anti-emetica, zoals 5HT3-antagonisten (bijv. ondansetron en granisetron) en dopamine-antagonisten (bijv. metoclopramide), worden in de klinische zorg veel gebruikt ter preventie en behandeling van misselijkheid en braken, bijvoorbeeld postoperatief of bij chemotherapie. Onderzoek laat zien dat enteraal (e.g., oraal of rectaal) toegediende anti-emetica bij een gelijkwaardige dosering doorgaans een vergelijkbare effectiviteit en veiligheid hebben als intraveneus (IV) toegediende (1-2).
De enterale route draagt bij aan meer comfort en autonomie. Daarnaast is het gebruik van orale/rectale medicatie kosten efficiënter en duurzamer, omdat er minder wegwerpmaterialen nodig zijn dan bij intraveneuze toediening (3). In situaties waarin orale toediening niet haalbaar is, zoals bij ernstige misselijkheid of braken, kan soms nog gekozen worden voor rectale toediening. Alleen als dat ook niet kan, komt IV toediening in aanmerking. Dit staat verder uitgewerkt in de NVZA geneesmiddelenmonografieën (4-6).
Interventie
Toedienen van anti-emetica bij voorkeur enteraal in plaats van IV, tenzij een specifieke indicatie voor IV toediening aanwezig is.
Milieu-impact
Gemeten in CO2-uitstoot door het verminderen van het aantal voorschriften IV toediening van anti-emetica ten opzichte van enterale toediening.
Werkwijze
1. Bepaal de populatie en formuleer een doelstelling
- Inventariseer huidig beleid op geselecteerde afdeling/voor geselecteerde patiëntengroep(en):
- Evalueer met toediendata uit het EPD bij welk aandeel patiënten anti-emetica IV wordt toegediend (toolkit iv/enteraal)?
- Formuleer SMART-doelstelling samen met (het green team van) betreffende afdeling(en). Bijvoorbeeld: binnen drie maanden een 25% vermindering van IV anti-emetica toedieningen ten opzichte van enterale anti-emetica toedieningen
2. Implementatie
- Pas protocol en vooraf gedefinieerde medicatieorders aan (indien nodig).
- Informeer de voorschrijvers en apothekers van de betrokken afdeling en zo nodig geneesmiddelcommissie over de wijziging, bijvoorbeeld door een korte toelichting tijdens overdrachten en/of teamvergaderingen. Hiervoor kan de poster gebruikt worden.
3. Monitoring en evaluatie
- Controleer implementatie met behulp van de toolkit iv/enteraal het aandeel IV ten opzichte van PO toedieningen, zie ‘Werkwijze evaluatie van een geneesmiddelinterventie’. Bespreek (tussentijdse) resultaten regelmatig, bijvoorbeeld (twee)maandelijks, tijdens overdrachten, teamvergaderingen en/of onderwijs.
- Reflecteer op resultaten ten opzichte van het gestelde doel, belemmerende en bevorderende factoren. Stel interventies bij indien nodig.
- Evalueer aan het eind van de follow-up periode of de doelstelling(en) behaald is/zijn en hoe de verandering geborgd wordt.

Hoe wordt dit gemeten?
De milieu-impact van de interventie kan worden bepaald door afname van IV toedieningen ten opzichte van enterale toedieningen op basis van de toedienregistraties voor en na implementatie, zie ‘Werkwijze evaluatie van een geneesmiddelinterventie’.
Wanneer succesvol geïmplementeerd?
Bepaal op basis van de reductie in het aandeel IV ten opzichte van orale en rectale toedieningen van anti-emetica, zoals beschreven in de vorige paragraaf, wanneer de implementatie als succesvol wordt beschouwd, en reflecteer hierbij op het gestelde doel.
Bronnen
- Tramer MR, Reynolds DJM, Moore RA, McQuay HJ. Efficacy of 5-HT3 receptor antagonists in postoperative nausea and vomiting: a quantitative systematic review. BMJ. 1997;314(7092):1088–92.
- Anthony LB, Krozely MG, Woodward NJ, et al. Antiemetic effect of oral versus intravenous metoclopramide in patients receiving cisplatin: a randomized, double-blind trial. J Clin Oncol. 1986 Jan;4(1):98-103
- Lim E, Parker E, Vasey N. Why learning how to swallow pills is good for patients, parents, and the planet BMJ 2024; 384 :e076257 doi:10.1136/bmj-2023-076257
- NVZA Commissie Duurzaamheid / Werkgroep Medicijnverspilling. Monografie Metoclopramide. Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers; 2025. Beschikbaar via: https://nvza.nl/wp-content/uploads/Geneesmiddelmonografie-Metoclopramide.pdf
- NVZA Commissie Duurzaamheid / Werkgroep Medicijnverspilling. Monografie Granisetron. Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers; 2025. Beschikbaar via: https://nvza.nl/wp-content/uploads/Geneesmiddelmonografie-Granisetron.pdf
- NVZA Commissie Duurzaamheid / Werkgroep Medicijnverspilling. Monografie Ondansetron. Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers; 2025. Beschikbaar via: https://nvza.nl/wp-content/uploads/Geneesmiddelmonografie-Ondansetron.pdf
Tools
Ontbreken hier nog materialen of heb jij aanvullende materialen (ontwikkeld) die andere ziekenhuizen kunnen helpen bij het implementeren van deze interventie, wij horen het graag via contact@samendezorgvergroenen.nl
- Toolkit milieu-impact: volgt
- NVZA geneesmiddel monografie overzicht ‘liever enterale dan parenterale therapie’
- Jacobs TG, van Herpen-Meeuwissen LJM, van den Bemt PMLA, Hunfeld NGM, Attema-de Jonge ME. Duurzaam inzetten van infuuszakken; lessen uit de infuuszakkencrisis. Ned Tijschr Genk 2025; 169:D8557.
Resultaten
%
%
%
Bekijk onze andere interventies
Klinische zorg
Paracetamol oraal in plaats van intraveneus toedienen
Ter behandeling van postoperatieve pijn wordt doorgaans intraveneus (IV) paracetamol toegediend. Onderzoek wijst echter uit dat orale (PO) toediening bij de meeste patiënten even effectief is en bovendien duurzamer. Een systematische review van 14 studies laat zien dat er geen overtuigend verschil is in analgetisch effect tussen IV en oraal paracetamol op verschillende tijdstippen na de operatie (1). De milieu-impact verschilt echter aanzienlijk: de CO2-uitstoot van IV toediening is tot wel 16x hoger (2). Waar een orale toediening van 1 gram paracetamol uit een blister leidt tot uitstoot van circa 38 gram CO₂-eq., kan dit bij IV-toediening oplopen tot 628 gram, afhankelijk van de verpakking en het toedieningsmateriaal (2).
Bij de meeste patiënten kan paracetamol oraal worden toegediend, zoals beschreven in de NVZA Monografie ‘Paracetamol’ (3). Met de paracetamol challenge is gedemonstreerd dat IV-toediening van paracetamol met tenminste 25% verminderd kan worden, wat tijd van personeel, kosten en milieu-impact bespaart (4). Deze resultaten onderstrepen implementatie op grotere schaal.
Poliklinische zorg
Klimaatbewust voorschrijven van inhalatiemedicatie
Inhalatiemedicatie wordt gebruikt bij de behandeling van astma en COPD. In Nederland gebruiken jaarlijks ruim 1,4 miljoen mensen inhalatiemedicatie, waaronder luchtwegverwijders, zoals kort- en langwerkende β2-sympathicomimetica en parasympathicolytica, en inhalatiecorticosteroïden (1). Er zijn verschillende soorten inhalatoren beschikbaar, waaronder dosisaerosolen, poederinhalatoren en soft mist inhalatoren. Deze verschillen sterk in milieu-impact, omdat dosisaerosolen drijfgassen bevatten, zoals HFA-134a, wat een 1500 keer sterker broeikaseffect heeft dan CO₂ (2).
In sommige landen worden al vaker poederinhalatoren voorgeschreven. Zo ligt het aandeel dosisaerosolen in Zweden het laagst (±10%), in Engeland het hoogst (±70%) en in Nederland rond de 50% (2, 3). Als Nederland het Zweedse voorbeeld zou volgen, kan een aanzienlijke hoeveelheid CO₂-uitstoot worden voorkomen (2, 3). Dit is haalbaar, omdat poederinhalatoren en soft-mistinhalatoren voor de meeste volwassen astma- en COPD-patiënten een effectief alternatief vormen, mits de inhalatietechniek correct wordt toegepast (4). Daarnaast zullen er in de komende jaren steeds meer dosisaerosolen op basis van duurzamere drijfgassen op de markt komen. Ook hiermee kan de broeikasgasuitstoot van inhalatiemedicatie worden teruggedrongen.
Om artsen en apothekers te stimuleren om klimaatvriendelijk inhalatiemedicatie voor te schrijven is de Transmurale leidraad klimaatbewust voorschrijven van inhalatiemedicatie ontwikkeld door het Zorginstituut in samenwerking met huisartsen, longartsen, kinderartsen, apothekers en het Longfonds (4). Om daadwerkelijk impact te maken, vraagt de leidraad nog om opname in lokale formularia, zodat het grootschalige, onnodige gebruik van milieubelastende inhalatiemedicatie kan worden teruggedrongen.
Klinische zorg
Behandelen met orale antibiotica bij goede biologische beschikbaarheid
Op basis van een recent opinieartikel in het NTvG door Kaal et al. is deze interventie geselecteerd. Dit artikel adviseert dat er meer ruimte is voor het oraal initiëren van antibiotica, maar beschrijft geen klinisch-geteste interventies. Deze interventie wordt daarom nog verder uitgewerkt op basis van beschikbare wetenschappelijke literatuur en volgt op een later moment.
Klinische- en poliklinische zorg
Restrictief opioïden voorschrijven met indicatie en beoogde behandelduur
De meest gebruikte, sterkwerkende opioïden zijn morfine, fentanyl, oxycodon en buprenorfine (1). In 2024 ontvingen ruim 1,1 miljoen mensen een opioïd via de openbare apotheek (2). Hoewel het totale aantal verstrekkingen iets daalde ten opzichte van 2023, nam het aantal voorschriften vanuit het ziekenhuis juist licht toe (3). Bij een eerste uitgifte van een sterkwerkend opioïd werd in 2024 gemiddeld 9 dagen aan medicatie meegegeven (3), terwijl bij acute pijn door trauma of operatie vaak maar voor 48 uur sterkwerkende pijnstilling met opioïden nodig is (4). Te lang voorschrijven van opioïden vergroot het risico op afhankelijkheid en leidt ook tot onnodige milieu-impact.
Onderzoek laat zien dat de hoeveelheid opioïden die patiënten bij ontslag meekrijgen, hun daadwerkelijke gebruik beïnvloedt (5). Naarmate herstel vordert, neemt de behoefte aan opioïden snel af; voor de meeste patiënten is vier dagen voldoende. Dit sluit aan bij internationale aanbevelingen die een duur van 3 - 7 dagen adviseren (6-8). Ook de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA) adviseert gepast gebruik van opioïden door restrictief voorschrijven (maximaal 7 dagen) afgestemd op de ervaren pijn (9).
Een ander knelpunt is dat de beoogde behandelduur en indicatie van opioïden bij ontslag of poliklinische uitgifte niet altijd expliciet worden vermeld of gedeeld met patiënt en zorgverleners in de eerste lijn. Hierdoor ontbreekt voor huisartsen en apothekers vaak cruciale informatie om de behandeling verantwoord voort te zetten of tijdig af te bouwen. Dit vergroot het risico op onnodig lang gebruik, en daarmee onnodige milieu-impact en risico op afhankelijkheid.