
Verduurzamingsinterventies geneesmiddelen
Klinische- en poliklinische zorg
Gericht voorschrijven van protonpompremmers (als maagbescherming)
Protonpompremmers (PPIs) zijn maagzuurremmers die frequent gebruikt worden. Pantoprazol (1,3 miljoen gebruikers) en (es)omeprazol (1,2 miljoen gebruikers) stonden in de top 3 meest gebruikte geneesmiddelen in 2023 (1). Toch blijkt dat een groot deel van deze geneesmiddelgebruikers geen indicatie voor PPI-gebruik (meer) heeft (2). Bij kortdurend gebruik bleek meer dan de helft van de patiënten geen indicatie te hebben (3). Een deel hiervan wordt veroorzaakt door het starten met PPIs als maagbescherming zonder indicatie.
De NHG-richtlijn ‘Preventie van maagcomplicaties door geneesmiddelgebruik’ en kennisdocument protonpompremmers geven aan dat een PPI als maagbescherming geïndiceerd is op basis van risicofactoren, zoals leeftijd, ulcus of maagcomplicaties in de voorgeschiedenis, dosering van de NSAID, co-medicatie met een verhoogd risico op maagcomplicaties en comorbiditeiten, zoals reumatoïde artritis, hartfalen of diabetes (4 - 6). Door PPIs gericht op basis van risicofactoren voor maagbescherming voor te schrijven kan onnodig PPI-gebruik worden teruggedrongen, waarmee milieu-impact kan worden voorkomen.
Interventie(s)
Gericht voorschrijven van protonpompremmers als maagbescherming op basis van risicofactoren, zoals leeftijd, (co-)medicatie, voorgeschiedenis en comorbiditeiten.
N.B. Deze interventie richt zich op het gericht voorschrijven van PPIs als maagbescherming. In de interventie ‘stoppen van PPIs zonder indicatie’ wordt gefocust op het identificeren, afbouwen en stoppen van onnodig gebruikte PPIs.
Milieu-impact
Gemeten in CO2-uitstoot door het verminderen van het aantal startvoorschriften van (es)omeprazol en pantoprazol.
Werkwijze
1. Bepaal de populatie en formuleer een doelstelling
- Inventariseer huidig beleid op geselecteerde afdeling(en)/voor geselecteerde patiëntengroep(en):
- Controleer of protocollen overeenkomen met Richtlijnen voor maagbescherming in het kennisdocument minderen en stoppen met protonpompremmers.
- Voormeting aantal voorschriften of toedieningen PPI’s op basis van EPD data volgens ‘Werkwijze evaluatie van een geneesmiddelinterventie’.
- Bepaal eventueel welk aandeel voorschriften voldoet aan de indicatiecriteria.
- Formuleer SMART-doelstelling samen met (het green team van) betreffende afdeling(en). Bijvoorbeeld: binnen drie maanden een 40% afname van PPI-voorschriften bij postoperatieve pijnmedicatie op de afdeling orthopedie.
2. Implementatie
- Pas (indien nodig) protocol en vooraf gedefinieerde medicatieorders aan:
- Zet bijvoorbeeld de PPI als optionele order in gestandaardiseerde medicatieopdracht(en), eventueel met een reminder: “Indicatie voor PPI?”.
- Indien er een indicatie is voor PPI-gebruik: schrijf voor met een stopdatum.
- Informeer de voorschrijvers en apothekers van de betrokken afdeling en zo nodig de geneesmiddelencommissie over de wijziging, bijvoorbeeld door een korte toelichting tijdens overdrachten en/of teamvergaderingen.
- Presentatie gericht voorschrijven van protonpompremmers als maagbescherming (zie Bijlagen).
- Zorg voor regelmatige herinnering, bijvoorbeeld door het inzetten van digitale zakkaartjes.
3. Monitoring en evaluatie
- Controleer implementatie met behulp van (poli)klinische voorschriften en/of toedieningen en de milieu-impactrekentool, zie ‘Werkwijze evaluatie van een geneesmiddelinterventie’. Bespreek (tussentijdse) resultaten regelmatig, bijvoorbeeld (twee)maandelijks, tijdens overdrachten, teamvergaderingen en/of onderwijs.
- Reflecteer op resultaten ten opzichte van het gestelde doel, belemmerende en bevorderende factoren. Stel interventies bij indien nodig.
- Evalueer aan het eind van de follow-up periode of de doelstelling(en) behaald is/zijn en hoe de verandering geborgd wordt.

Hoe wordt dit gemeten?
De milieu-impact van de interventie kan worden bepaald door afname in startvoorschriften (es)omeprazol of pantoprazol per drie maanden, zie ‘Werkwijze evaluatie van een geneesmiddelinterventie’.
Let op: De interventie ‘Staken van protonpompremmers zonder indicatie’ kan de uitkomsten van deze interventie mogelijk beïnvloeden.
Wanneer succesvol geïmplementeerd?
Bepaal op basis van de reductie in het aantal PPI-voorschriften en/of toedieningen, zoals beschreven in de vorige paragraaf, wanneer de implementatie als succesvol wordt beschouwd, en reflecteer hierbij op het gestelde doel.
Bronnen
- Stichting Farmaceutische Kengetallen (SFK). Data en feiten 2024: Het geneesmiddelengebruik in Nederland. Den Haag: SFK; 2024. Geraadpleegd op: 29 jul 2025. Beschikbaar via: https://www.sfk.nl/publicaties/data-en-feiten/data-en-feiten-2024
- Zorginstituut. Verbetersignalement Maagklachten. Diemen: Zorginstituut,; 2021. Contract No.: ICD-10: XI K21- K3.
- Koggel LM, Lantinga MA, Büchner FL, et al. Predictors for inappropriate proton pump inhibitor use: observational study in primary care. Br J Gen Pract. 2022 Nov 24;72(725):e899-e906. doi: 10.3399/BJGP.2022.0178.
- NHG-Standaard Maagklachten [Internet]. Utrecht: Nederlands Huisartsen Genootschap; 2021 [geüpdatet 2025 apr]. M36. Beschikbaar via: https://richtlijnen.nhg.org/standaarden/maagklachten#volledige-tekst
- KNMP Kennisdocument minderen en stoppen van Protonpompremmers. Beschikbaar via: https://richtlijnen.nhg.org/files/2020-11/Eindversie%20Kennisdocument%20Protonpompremmers_0.pdf
- Verbetersignalement Maagklachten. Zinnige Zorg . Zorginstituut Nederland (2021). ICD-10: XI K21- K30. Zinnige Zorg - Verbetersignalement Maagklachten | Rapport | Zorginstituut Nederland.
Bijlagen
De milieu-impactrekentool is beschikbaar in de Teams-omgeving voor implementatieteams.
Bekijk onze andere interventies
Klinische zorg
Anti-emetica oraal en/of rectaal in plaats van intraveneus toedienen
Anti-emetica, zoals 5HT3-antagonisten (bijv. ondansetron en granisetron) en dopamine-antagonisten (bijv. metoclopramide), worden in de klinische zorg veel gebruikt ter preventie en behandeling van misselijkheid en braken, bijvoorbeeld postoperatief of bij chemotherapie. Onderzoek laat zien dat enteraal (e.g., oraal of rectaal) toegediende anti-emetica bij een gelijkwaardige dosering doorgaans een vergelijkbare effectiviteit en veiligheid hebben als intraveneus (IV) toegediende (1-2).
De enterale route draagt bij aan meer comfort en autonomie voor de patiënt. Daarnaast is het gebruik van orale/rectale medicatie kosten efficiënter en duurzamer, omdat er minder (wegwerp)materialen nodig zijn dan bij IV toediening (3). In situaties waarin orale toediening niet haalbaar is, zoals bij ernstige misselijkheid of braken, kan soms nog gekozen worden voor rectale toediening. Alleen als dat ook niet kan, komt IV toediening in aanmerking. Dit staat verder uitgewerkt in de NVZA geneesmiddelenmonografieën (4-6).
Klinische zorg
Paracetamol oraal in plaats van intraveneus toedienen
Ter behandeling van postoperatieve pijn wordt doorgaans intraveneus (IV) paracetamol toegediend. Onderzoek wijst echter uit dat orale (PO) toediening bij de meeste patiënten even effectief is en bovendien duurzamer. Een systematische review van 14 studies laat zien dat er geen overtuigend verschil is in analgetisch effect tussen IV en oraal paracetamol op verschillende tijdstippen na de operatie (1). De milieu-impact verschilt echter aanzienlijk: de CO2-uitstoot van IV toediening is tot wel 16x hoger (2). Waar een orale toediening van 1 gram paracetamol uit een blister leidt tot uitstoot van circa 38 gram CO₂-eq., kan dit bij IV-toediening oplopen tot 628 gram, afhankelijk van de verpakking en het toedieningsmateriaal (2).
Bij de meeste patiënten kan paracetamol oraal worden toegediend, zoals beschreven in de NVZA Monografie ‘Paracetamol’ (3). Met de paracetamol challenge is gedemonstreerd dat IV-toediening van paracetamol met tenminste 25% verminderd kan worden, wat tijd van personeel, kosten en milieu-impact bespaart (4). Deze resultaten onderstrepen implementatie op grotere schaal.
Poliklinische zorg
Klimaatbewust voorschrijven van inhalatiemedicatie
Inhalatiemedicatie wordt gebruikt bij de behandeling van astma en COPD. In Nederland gebruiken jaarlijks ruim 1,4 miljoen mensen inhalatiemedicatie, waaronder luchtwegverwijders, zoals kort- en langwerkende β2-sympathicomimetica en parasympathicolytica, en inhalatiecorticosteroïden (1). Er zijn verschillende soorten inhalatoren beschikbaar, waaronder dosisaerosolen, poederinhalatoren en soft mist inhalatoren. Deze verschillen sterk in milieu-impact, omdat dosisaerosolen drijfgassen bevatten, zoals HFA-134a, wat een 1500 keer sterker broeikaseffect heeft dan CO₂ (2).
In sommige landen worden al vaker poederinhalatoren voorgeschreven. Zo ligt het aandeel dosisaerosolen in Zweden het laagst (±10%), in Engeland het hoogst (±70%) en in Nederland rond de 50% (2, 3). Als Nederland het Zweedse voorbeeld zou volgen, kan een aanzienlijke hoeveelheid CO₂-uitstoot worden voorkomen (2, 3). Dit is haalbaar, omdat poederinhalatoren en soft-mistinhalatoren voor de meeste volwassen astma- en COPD-patiënten een effectief alternatief vormen, mits de inhalatietechniek correct wordt toegepast (4). Daarnaast zullen er in de komende jaren steeds meer dosisaerosolen op basis van duurzamere drijfgassen op de markt komen. Ook hiermee kan de broeikasgasuitstoot van inhalatiemedicatie worden teruggedrongen.
Om artsen en apothekers te stimuleren om klimaatvriendelijk inhalatiemedicatie voor te schrijven is de Transmurale leidraad klimaatbewust voorschrijven van inhalatiemedicatie ontwikkeld door het Zorginstituut in samenwerking met huisartsen, longartsen, kinderartsen, apothekers en het Longfonds (4). Om daadwerkelijk impact te maken, vraagt de leidraad nog om opname in lokale formularia, zodat het grootschalige, onnodige gebruik van milieubelastende inhalatiemedicatie kan worden teruggedrongen.
Klinische zorg
Behandelen met orale antibiotica bij goede biologische beschikbaarheid
Het tijdig omzetten van intraveneuze (IV) naar orale antibiotica is een belangrijke interventie binnen passende en duurzame zorg. Binnen het landelijke antimicrobial stewardship programma, zoals uitgewerkt door de SWAB, wordt aanbevolen om de toedieningsroute van antibiotica dagelijks te herevalueren en zo snel mogelijk over te stappen op orale therapie zodra de patiënt klinisch stabiel is en orale inname mogelijk is (1). Overstappen op orale therapie draagt bij aan het verkorten van de opnameduur, vermindert complicaties door IV toediening, zoals lijninfecties en flebitis, vermindert tijd voor het klaarmaken en toedienen van infusen en vermindert materiaalgebruik (2).
Het Zorginstituut Nederland benoemt in het verbetersignalement Onderste luchtweginfecties expliciet dat waar mogelijk moet worden overgestapt naar orale antibiotica bij community-acquired pneumonie (CAP) (3). Deze aanbeveling is vertaald naar een streefpercentage van 80% IV-orale switch, zoals opgenomen in de implementatieagenda van Zorgevaluatie en Gepast Gebruik (4). De Antimicrobial Stewardship Monitor (AMSM), die voorschrijfgedrag terugkoppelt aan lokale A-teams, laat zien dat dit streefpercentage in de praktijk nog vaak niet wordt gehaald (5).
Naast CAP is er toenemend bewijs voor IV-oraal switch bij andere indicaties. Een systematische review laat zien dat bij klinisch stabiele patiënten met osteomyelitis, bacteriemie en endocarditis een vroege switch naar orale antibiotica leidt tot een klinisch gelijkwaardige, maar veiligere behandeling met onder andere een kortere opnameduur (6). Bij bot- en gewrichtsinfecties is aangetoond dat orale therapie gedurende de eerste zes weken van behandeling non-inferieur is aan intraveneuze therapie (7). Ook blijkt dat bij patiënten met cellulitis een switch naar orale behandeling, zodra de uitbreiding van de infectie tot stilstand is gekomen, leidt tot een non-inferieure behandeling (8).
Het tijdig switchen naar orale behandeling biedt naast klinische voordelen ook duurzaamheidswinst. Voor penicillinegebruik bij pneumonie is op basis van de uitgangssituatie in Denemarken bijvoorbeeld aangetoond dat tijdig oraal uitbehandelen leidt tot een reductie in klimaatimpact van circa 56%, oplopend tot 94% bij volledig orale behandeling (9). Voor ciprofloxacine heeft een recente studie laten zien dat één orale dosering een klimaatimpact van 12.6 gram CO2-equivalent heeft, terwijl een IV-dosis correspondeert met een klimaatimpact van bijna 900 gram CO2-equivalent (10).